De vlam van het verzet. Nederlandse strijders in het buitenland, vroeger en nu Anton de Kom-lezing, 19 juni 2014



Download 111.56 Kb.
Page1/6
Date28.03.2018
Size111.56 Kb.
#43806
  1   2   3   4   5   6


De vlam van het verzet. Nederlandse strijders in het buitenland, vroeger en nu
Anton de Kom-lezing, 19 juni 2014

door Beatrice de Graaf

Inleiding

Vorig jaar juli waarschuwde Charles Farr, de Britse nationaal coördinator terrorisme en veiligheid (director-general van het Office for Security and Counter-Terrorism) voor het gevaar van Syriëgangers:


‘The blunt truth is there are more people associated with al-Qaeda and al-Qaeda associated organisations now operating in Syria than there have ever been before and are that close to Europe and operating with an intensity that is unparalleled since events in Iraq in 2006. They are much closer to us, in much greater numbers and fighting with an intensity that we have not seen before. […] Groups in Syria aspire to attack Europe and have both the capability and means to do so, including returning foreign fighters coming back to Europe. I think it is the most profound shift in the threat we have seen in at least five years and I think since 2003’ (Whitehead 2013).
Tegenover die waarschuwing staat het verhaal van Tauqir, die samen met zijn Britse vrouw Racquell Hayden-Best (21) net over de Syrische grens in Turkije woont. Tauqir is een overtuigde activist, een veteraan van het Gaza-hulpkonvooi dat in 2010 door Israëlische strijdkrachten was aangevallen. Hun verhaal luidt als volgt:
Tauqir: ‘I feel the whole world has turned a blind eye to Syria. We don’t want to be sitting here in five years’ time, wondering why we didn’t prevent another genocide. I feel it’s the duty of all Muslims to help. [...] I grew up in an ordinary, middle-class family. But we were always taught, growing up in the UK, that if we see injustice, we should step in and do something about it.’
Racquell: ‘I had a very protected upbringing. I wanted to get out and see the world. Life in the UK, it was depressing, it was like a robot life, doing the same things every day. Now Tauqir is doing what he wants to do. I’m happy because he’s happy’ (Soni 2014).
Dit zijn twee totaal verschillende referentiekaders. Farr beschouwt westerse activisten die zich bij de rebellen aansluiten en helpen en ondersteunen bij terroristische1 activiteiten als een acuut gevaar voor Europa. Tauqir en zijn vrouw voelen zich verplicht de genocide in Syrië te stoppen en zien in het Assad-regime de grootste bedreiging. Zij voelen zich in hun identiteit geraakt, bedreigd en leiden daaruit de directe verantwoordelijkheid en verplichting af om iets te doen. Over die botsende wereldbeelden en tegengestelde referentiekaders wil ik het vanavond hebben. Hoe denkt en voelt een Nederlandse Syriëganger, hoe bepaalt hij of zij het handelingsperspectief – en wat kunnen en moeten wij daarmee?

Referentiekader

Waarom besluiten Nederlandse mannen, en vrouwen, zich aan te sluiten bij een strijd die zich ver van hun bed afspeelt, en waar geen mens hen toe verplicht? Die vraag wordt aan gewone militairen niet vaak gesteld, zeker niet toen de dienstplicht nog gold. Sinds 1996 heeft Nederland een beroepsleger. Militairen hebben inmiddels dus de vrije keus om te beslissen of ze zich aanmelden voor de Krijgsmacht of niet. Dat is ook nog steeds een existentiële keuze, want een professionele militair anno 2014 weet dat hij dan kan worden uitgezonden naar oorlogshaarden. Een gemiddelde beroepsmilitair zal vast wel eens met zo’n vraag geconfronteerd worden op feestjes en partijtjes, maar waarschijnlijk zal de vraagsteller er hoogstens belangstellend bij kijken. We hebben het doden uitbesteed aan onze beroepssoldaten en denken er verder niet meer over na.


Emoties van afschuw, verontwaardiging en angst spelen een rol als we het over foreign fighters hebben. Daaronder verstaan we Nederlanders in vreemde krijgsdienst, die participeren in niet officieel gesanctioneerde operaties of deelnemen aan gewapende of terroristische conflicten waar Nederland officieel geen enkel aandeel in heeft. Ook fascinatie en bewondering zijn mogelijke emoties. In de documentaire Verloren zonen. Een eeuw vrijwillig ten oorlog vertelde generaal buiten dienst Peter van Uhm 'niets anders dan respect te hebben voor de Syriëgangers', die hij ziet als 'jongeren die op de een of andere manier ervaren dat ze iets moeten doen om de wereld beter te maken'. 
Als het om deelname aan een conflict aan de zijde van een als terroristisch bestempelde organisatie gaat, is de gruwel echter wel een feit. Zo’n foreign fighter, of het iets neutralere Syriëganger (dat houdt immers in dat we nog niet hebben vastgesteld dat de persoon zich ook daadwerkelijk bij één van de strijdende partijen heeft aangesloten), wordt gezien als een gevaar voor de nationale veiligheid. Ze waren vorig jaar één van de belangrijkste redenen voor de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) om het dreigingsniveau naar substantieel te verhogen, het op één na hoogste niveau.
Wat weten we eigenlijk over deze Syriëstrijders? Nog niet heel veel. Het is een zeer recent verschijnsel dat speelt sinds 2011, toen de oorlog in Syrië begon. Van de circa honderdtwintig vertrokken jongeren zijn er nog maar zo’n dertig teruggekeerd. Daarom wil ik vanavond met u proberen wat meer licht te werpen op de Syriëganger, niet alleen vanuit abstracte radicalisering theorieën, maar eigenlijk heel praktisch: hoe denkt hij of zij over het vertrek naar het slagveld, over vechten, doden, terugkeren of sterven? En vervolgens: wat moeten wij ermee, wat moeten of kunnen we eraan doen?
Een tijdje geleden verscheen een boek, Soldaten, getiteld, waarin de historicus Sönke Neitzel en de sociaal-psycholoog Harald Welzer een boekje open doen over hoe ‘gewone’ Wehrmacht-soldaten dachten en voelden over dat wat ze deden: vechten, doden en sterven, maar ook hoe ze onderling praatten over vrouwen, wapens, hun vaderland en de vernietiging van de joden (Neitzel en Welzer 2011). Het vernieuwende aan de aanpak van de auteurs was dat ze op basis van allerlei nieuwe bronnen, afgeluisterde gespreksverslagen, brieven, dagboeknotities etc. van Wehrmacht-soldaten tot de conclusie kwamen dat ideologie weliswaar een hele belangrijke rol speelde in de vraag waarom die soldaten deden wat ze deden, maar dat er toch ook nog iets wezenlijks bijkwam: de rol van de directe vrienden, kameraden en familieleden die hen in hun functie als soldaat bevestigden, uitdaagden en stimuleerden in een doorgaand radicaliseringsproces, binnen de context van een gruwelijke vernietigingsoorlog. Die ervaring in kleine kring was van veel groter en doorslaggevender belang voor het vormen van een moreel kader en het bepalen van handelingsperspectieven voor de soldaten dan de pure ideologie. (Daarmee voegen Neitzel en Welzer een belangrijk element toe aan de monocausale verklaringen van Christopher Browning en Daniel Goldhagen voor de deelname van gewone soldaten en politiemensen aan de holocaust).
Vanavond wil ik daarom een soortgelijk procedé toepassen. Ik gebruik het begrip referentiekader om te laten zien wat de Syriëstrijder zoal beweegt. Met referentiekader wordt ‘de algemene samenhang van alle factoren bedoeld die voor een persoon, of zelfs een hele gemeenschap, de psychische werkelijkheid op een zeker ogenblik vormt’. Ik doel daarmee op het kader dat de Syriëganger voor zichzelf creëert, opzoekt, of aangereikt krijgt en omarmt. Ik zal dit begrip bovendien hanteren vanuit een historisch perspectief. Was/is het referentiekader van de gemiddelde Syriëganger zo anders dan dat van hun voorgangers die bijvoorbeeld in de negentiende eeuw hun leven opofferden in de heilige strijd van de paus tegen de vijanden van de kerkelijke staat in Italië? Of van de Nederlanders die zich in de Eerste Wereldoorlog aansloten bij de Duitse Reichswehr, of van de Spanjegangers, en wellicht nog interessanter als vergelijking, van de Nederlandse rekruten voor de Waffen-SS, die zich voor het Oostfront meldden?
U vraagt zich wellicht af: waarom moeten we dat eigenlijk weten, volstaat het niet met te zeggen dat de Syriëgangers terroristen zijn en dus een gevaar voor de samenleving? Nee, niet helemaal. De samenleving, in het bijzonder de parlementaire representatie daarvan in de personen van onze gekozen volksvertegenwoordigers en kabinet, bepalen namelijk zelf wat terroristisch is. Toen er in de jaren negentig en de eerste jaren van de 21e eeuw ook Nederlandse jongens naar strijdtonelen elders vertrokken, zoals naar Bosnië, Tsjetsjenië, Kashmir of Afghanistan, eveneens gedreven door een bepaalde interpretatie van de Islam, had niemand het nog over terroristen. De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD), toen nog de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), waarschuwde er in 1998 wel voorzichtig tegen, maar kreeg in het parlement nog de wind van voren. Wat terrorisme is, of als zodanig wordt beschouwd, hangt dus sterk af van de politieke en maatschappelijke context, en niet alleen van daden en aanslagen als zodanig.
Terrorisme, dat moeten we hier dus met elkaar vaststellen, is een ‘essentially contested concept’, en ook nog een pejoratief en attributief concept (Conolly 1993, 10; Schmid 2004). Dat betekent dat het altijd een politieke huls zal zijn, die in elke periode weer opnieuw, en zelfs gelijktijdig door verschillende groepen met betekenis wordt gevuld. Die betekenis zal ook altijd negatief zijn. Het is bovendien zelden het geval dat de terrorist zichzelf ook als terrorist ziet. Syriëgangers noemen zichzelf op Facebook Mujahedeen of Shahada, martelaren voor de goede zaak. Dat is een heel ander referentiekader, waarin niet de democratische rechtsorde, maar eer, heldenmoed en Dawa (zending) centraal staan.
Flankerende begrippen zijn al net zo lastig. Denk aan termen zoals extremisme en radicalisering. Volgens onderzoeker David Mandel geldt ‘To be radical is to be extreme relative to something that is defined or accepted as normative, traditional or values as the status quo’ (Mandel 2010, 9). En Borum legt uit dat ‘nearly all terrorists are extremists, but most extremists are not terrorist’ (Borum 2004).
Hebben we het bij terrorisme over de intentie, het oogmerk, zoals het in het Nederlandse wetboek is verwoord, of hebben we het over de daad en de dreiging met geweld? Gaat het over het doel van de terrorist, of over zijn middel? Dat onderscheid is heel belangrijk, het trekt een grens tussen de Moslim Brotherhood enerzijds, en Jabath al-Nusra of ISIL/ISIS2 anderzijds. Deze groepen hebben dezelfde doelen, maar de laatste twee zijn bereid iedereen uit de weg te ruimen die die doelen in de weg staat.
Het zijn natuurlijk begrippen die een glijdende schaal markeren. Mensen schuiven op, van politiek niet gewelddadig activisme naar gewelddadig extremisme. Jongeren mogen er best radicale ideeën op na houden, maar wanneer ze van het promoten van die ideeën overgaan tot het uitschakelen van degenen die daartegen zijn, is het gewelddadig radicalisme, en dus strafbaar. Volgens terrorisme-expert Neumann is ‘violent radicalisation a process of changes in attitude that lead towards sanctioning and ultimately the involvement in the use of violence for a political aim’ (Neumann en Rogers 2007, 6). Deze definitie is ook in de EU en in Nederlandse wetgeving terug te vinden. Het is de algemeen geaccepteerde definitie van ontoelaatbaar politiek gewelddadig activisme en terrorisme.
Met andere woorden, het is dus heel belangrijk om in kaart te brengen wat het referentiekader van de Syriëgangers is. Wat is hun gedachtengoed, en belangrijker nog, wat is hun normatieve en morele kader, waar spiegelen ze zich aan en waardoor laten ze zich niet alleen in hun denken maar ook in hun doen leiden? Een referentiekader legt de verbinding tussen de gedachten en de gedragingen, het maakt inzichtelijk wat iemands handelingsperspectief is. Het brengt onderscheid aan tussen de vele sympathisanten van de strijd in Syrië en de feitelijke jihadisten. We zullen zien dat zo’n jihadistisch referentiekader natuurlijk sterk ideologisch is aangekleed. Maar hoewel ideologie vorm en inhoud aan de strijd geeft, is het wijzen op een bepaalde overtuiging niet genoeg om te begrijpen waarom en hoe iemand zich bij de jihad voegt, meedoet aan gevechtshandelingen, onthoofdingen of als martelaar wil sterven. Dan zouden er immers veel meer jongeren gaan. Het referentiekader van de Syriëganger omvat naast die ideologische ijkpunten daarom nog iets anders cruciaals dat we het best kunnen samenvatten als de voortgaande groepsdynamiek, zowel in de fase voorafgaand aan het vertrek als, nog veel sterker, op het slagveld zelf.



Download 111.56 Kb.

Share with your friends:
  1   2   3   4   5   6




The database is protected by copyright ©ininet.org 2022
send message

    Main page